M-gineers

Het Low Carbon Building initiative uitgelegd

Dit certificatiesysteem focust specifiek op 3 koolstofparameters:

Waar veel duurzaamheidslabels een brede waaier aan thema’s behandelen, zoals energie, water, materialen, biodiversiteit, mobiliteit, klimaatadaptatie en gebruikerswelzijn, richt het LCBi zich specifiek op het optimaliseren van ontwerpbeslissingen in functie van klimaatmitigatie.

Voor residentiële projecten zijn uitgebreide duurzaamheidscertificaten niet altijd financieel haalbaar. Tegelijk blijft de nood bestaan aan externe validatie en benchmarking van duurzame ambities. Met zijn focus op “Low Carbon Design” biedt LCBi hiervoor een interessant kader. Bovendien legt de Europese regelgeving rond CSRD (Corporate Sustainability Reporting Directive) steeds meer nadruk op het verminderen van CO₂-uitstoot. Daardoor worden investeringsbedrijven aangemoedigd om duurzame projecten te financieren en deze ambities mee te vertalen naar projectontwikkelaars en hun bouwprojecten.

LCBi werkt met een systeem van sterren en targets. Het aantal sterren weerspiegelt de scope en de diepgang van de berekening, zoals de afbeelding hieronder illustreert. De targets zijn de CO2-eisen die bepaald zijn voor de 3 koolstofparameters: operationele, materiaalgebonden en biogene koolstof. Voor elke parameter is er telkens een lagere (T1) en een meer ambitieuze (T2) eis vastgelegd. Ons pilootproject ambieert minstens een LCBi “Performance” certificaat te behalen, en daarvoor moeten minimaal 5 sterren, 2 keer een T1-eis en 1 keer een T2-eis verkregen worden.

LCBi in de praktijk: lessons learned

In ons pilootproject met residentiële functie werd de haalbaarheid van de vooropgestelde duurzaamheidsdoelstellingen onderzocht, evenals hoe deze binnen een bouwteam al van in een vroeg stadium geïntegreerd kunnen worden tot en met de oplevering van het “Low Carbon Building”.

“De flexibele scope van de LCBi-tool laat ons toe om de bouwheer en het ontwerp- en bouwteam al in een vroege ontwerpfase, wanneer nog niet alle projectgegevens gekend zijn, een handvat aan te reiken richting Low Carbon Design,” licht Kasper Daemen, Technisch Consultant Duurzaamheid bij M-gineers, toe.

De operationele koolstofuitstoot van het gebouw valt binnen de T1-eis die LCBi oplegt, en om ook de ambitieuzere T2-eis te behalen, moet ingezet worden op meer hernieuwbare energieproductie. Dit kan door extra fotovoltaïsche panelen op het dak te voorzien (ca. 4 panelen per appartement). Daarbij merken we op dat de grootste energieverbruiker in het gebouw de interne apparatuur in de appartementen betreft. Aangezien dit verbruik sterk afhankelijk is van de eindgebruiker, is het voor projectontwikkelaars moeilijk om hier rechtstreeks op te sturen of verdere optimalisaties door te voeren.

“De operationele koolstofuitstoot werd berekend aan de hand van een gedetailleerde dynamische energiesimulatie. Aangezien het project zich nog in de masterplanfase bevond, ontwierpen we een parametrisch model om toch een globaal beeld met voldoende detailniveau te creëren van alle appartementstypes. Het parametrisch ontwerp werd onder meer ingezet om raamgroottes en oriëntaties te laten variëren en zo de invloed van zonnewinsten nauwkeurig te analyseren. Uit deze analyse volgden richtlijnen voor de raamgroottes en beglazingsparameters met het oog op een optimaal zomercomfort in de appartementen. Tot slot werd ook de link gelegd met de EPB-haalbaarheidsstudie, zodat reeds in een zeer vroeg stadium rekening kon worden gehouden met alle wettelijke vereisten,” vertelt Bart Couwenberg, Teamcoach Duurzaamheid bij M-gineers.

Uit onze LCA-berekeningen bleek dat er voor materiaalgebonden koolstof vooral ingezet moest worden op de betonstructuur, de gevelafwerking en de constructieve binnenwanden. Door middel van goed doordachte en geïntegreerde optimalisatiescenario’s werd zelfs de meest ambitieuze T2-eis haalbaar.

Voor biogene koolstof was de T1-eis (5kg CO2e/m²) relatief eenvoudig te behalen: houtproducten zoals binnendeuren en plinten als basis, aangevuld met ca. 30% van de vloeroppervlakte voorzien van parket- of laminaatafwerking. Alternatieven zoals natuurlijke isolatie en houten structuurelementen werden eveneens bekeken, en zullen zeker nodig zijn om de meer ambitieuze T2-eis van biogene koolstof (70kg CO2e/m²) te behalen. Voor deze twee laatste maatregelen moeten bijkomende technische factoren afgetoetst worden in ontwerp en uitvoering: brandwerendheid, vochtbestendigheid, materiaaldikte, akoestische prestaties, thermische massa en detailcomplexiteit.

“Het omzetten van duurzaamheidsambities op gebouwniveau naar een praktische en bruikbare gids voor aannemers vervult een ontbrekende schakel in het ontwerp- en bouwproces, en is exact het type opdracht waar wij het verschil kunnen maken als multidisciplinair ingenieurs- en consultancybureau,” zegt Valerie Vergaert, Business Unit Manager BuildSmart! bij M-gineers.

De uitbreiding van de LCBi-methodiek naar renovatieprojecten, verwacht in de zomer van 2026, opent nieuwe perspectieven voor duurzame renovaties. Een ontwikkeling waar we bij M-gineers alvast naar uitkijken.

Dit project laat zien hoe doorgedreven onderzoek naar het verborgen potentieel van een bestaand gebouw kan leiden tot een toekomstgerichte herwaardering. Het vormt een eerste sluitstuk van ons studietraject binnen onze lopende portefeuille-aanpak van 22 gebouwen, allemaal volgens dezelfde geïntegreerde methodiek.

Slim hergebruik als vertrekpunt

De sterkte van CNTR Halle ligt in het maximaal behouden van de bestaande draagstructuur. Vloeren, trappen en wanden bleven zoveel mogelijk behouden, waardoor zowel kostenefficiëntie als circulariteit hand in hand gaan. De ingrepen concentreerden zich op de gebouwschil en de technische installaties: hoogrendementsglas, nieuwe isolatie, ventilatie met warmteterugwinning, zonnepanelen, regenwaterrecuperatie en een hybride warmtepomp. Het resultaat is een EPC C-label met 38% aandeel hernieuwbare energie, een score die beter is dan 96% van alle Vlaamse kantoorgebouwen.

“Renovatie draait voor ons niet alleen om energie en comfort, maar ook om respect voor wat er al is,” benadrukt Elisabeth Nijs, Business Unit Manager Renovatie+ bij M-gineers. “Door slim hergebruik te combineren met gerichte ingrepen bereiken we in korte tijd een veel duurzamer resultaat.”

CO2-impact en embodied carbon

Tijdens het ontwerptraject is de CO2-impact van deze strategie gedetailleerd uitgerekend en vergeleken met die van de bestaande toestand en die van een nieuwbouw-scenario met gelijkaardige afmetingen. Wat blijkt? De renovatie verdient zichzelf op vlak van CO2 terug op ca. 15 jaar, en hoewel een nieuwbouw een nog lagere operationele energiekost zou hebben, duurt het langer vooraleer deze zich kan terugverdienen (ca. 35 jaar voor beton, ca. 25 jaar voor houtskeletbouw).

Kasper Daemen, Technisch Consultant Duurzaamheid bij M-gineers, verduidelijkt: "Dit is te wijten aan de embodied carbon, de CO2 benodigd voor de productie en het transport van bouwmaterialen. De lagere CO2 uitstoot van een nieuwbouw staat in dit geval dus niet in verhouding met de extra productiekost van de materialen. Sterker nog, in vergelijking met het renovatie-scenario zou een nieuw houtskeletgebouw zich zelfs pas terugverdienen na ca. 80 jaar! In praktijk zal dit dus nooit gebeuren, gezien dit langer is dan de theoretische levensduur van de meeste gebouwonderdelen."

Duurzame benchmarks

Om de duurzaamheid van gebouwen in te schatten, zijn verschillende internationale benchmarks beschikbaar, zoals DGBC, LETI, LCBI en Carbon Heroes. Onderstaande grafiek toont hoe deze renovatie scoort ten opzichte van deze benchmarks en bevestigt dat de projectaanpak zowel ecologisch als toekomstbestendig is.

“De verschillende benchmarks nemen niet allemaal dezelfde levensfasen in beschouwing,” aldus Kasper. “Het is dus extra belangrijk om goed op de hoogte te zijn wat elke benchmark wel en niet opneemt in hun berekeningen, zodat een juiste vergelijking gemaakt kan worden.”

De embodied carbon van de renovatie (190 kgCO2eq/m²) valt volgens de LETI-benchmark voor kantoren in klasse A+. Het gedeelte materiaalgebonden emissies (levensfasen A1-A5) van de renovatie (90 kgCO2eq/m²) is lager dan de grenswaarde voor renovaties van kantoren berekend door de DGBC, wat betekent dat deze renovatie de kaders van het klimaatakkoord volgt en dus Paris Proof is. Ook voor de andere benchmarks valt de renovatie telkens in de hoogste klasse.

Efficiënter ruimtegebruik

Door de samenwerking met 51N4E en DWNTWN is er naast de energetische winst ook een grote stap gezet in ruimtelijk rendement. Door de FOD Justitie en FOD Financiën samen te brengen onder één dak werd de gehuurde kantoorruimte in Halle meer dan gehalveerd. Dat betekent niet alleen lagere kosten voor de overheid, maar biedt ook binnen de bestaande stedelijke context een meer compacte en toegankelijke dienstverlening voor burgers op de hele site.

“Met CNTR Halle tonen we dat het perfect mogelijk is om gebouwen compacter, duurzamer én comfortabeler te maken,” vertelt Elisabeth. “We willen dit goede voorbeeld verder uitdragen voor de volgende projecten uit de portefeuille.”

Een methode die schaalbaar is

De samenwerking tussen de betrokken partners leidde tot de oprichting van RECAST, een platform dat focust op een geïntegreerde en efficiënte aanpak van circulaire renovaties. CNTR Halle is daar een tastbaar resultaat van.

Door slim hergebruik en gerichte ingrepen werd de milieu-impact beperkt én de doorlooptijd sterk verkort: het project werd in slechts 11 maanden afgerond, een bewijs dat circulariteit en snelheid hand in hand kunnen gaan.

Elke renovatie vraagt om het juiste evenwicht tussen behoud en vernieuwing. Met een open dialoog en de specifieke expertise van elke partner tonen we dat circulaire renovatie niet alleen haalbaar is, maar ook echte meerwaarde creëert.

Vooruitblik

Met CNTR Halle is de toon gezet voor wat ons te wachten staat in de komende jaren: meerdere gebouwen zullen volgens dezelfde methodiek worden aangepakt, met blijvende focus op hergebruik, efficiëntie en duurzaamheid. Het project bewijst hoe een bestaande structuur kan uitgroeien tot een toekomstgerichte werkomgeving, en vormt voor M-gineers een nieuw hoofdstuk in hun ambitieus traject van duurzame renovatie.

Foto’s: © Bart Kiggen

Lees hier hoe in het CNTR-atelier in Brussel ontwikkelaar, architect en ingenieur samen strategieën bepalen.

Geen éénduidige standaard voor gebouwen

De regelgeving rond energieprestatie van gebouwen valt in België onder de gewesten. Dat betekent dat Vlaanderen, Brussel en Wallonië elk hun eigen vertaling van de Europese richtlijn (EPBD) hanteren. De uitkomst: drie verschillende systemen, zonder geharmoniseerde schaal of interpretatie.

Toch worden energielabels steeds vaker gebruikt in regelgeving rond verkoop, verhuur en renovatie. De Vlaamse codex Wonen, renovatieverplichtingen en subsidiëringsregelingen werken allemaal met deze labels. Alleen … afhankelijk van het type gebouw en het gewest betekent een label A vaak iets totaal anders.

"Eén letter lijkt eenvoudig, maar achter dat label schuilen verschillende berekeningsmethodes en interpretaties. Dat maakt het voor eigenaars en investeerders behoorlijk verwarrend,” aldus Bart.

Woningen en appartementen: label A als streefdoel

In Vlaanderen staat label A voor woningen gelijk aan een E-peil beter dan E60, vandaag de vereiste voor ingrijpende energetische gerenoveerde wooneenheden. Dat stemt overeen met een energieprestatie van minder dan 100 kWh/m² per jaar voor bestaande woningen.

Bij EPB-plichtige werken wordt die prestatie theoretisch berekend met de EPB-software, terwijl een energiedeskundige bij bestaande woningen een EPC-protocol volgt. Twee verschillende methodes dus, met hetzelfde doel.

In Brussel werkt het analoog, maar gelden andere drempelwaarden: label A betekent daar een primair energieverbruik lager dan 45 kWh/m² per jaar. En ook in Brussel zijn er twee methodieken: voor EPB-plichtige werken gebeurt de berekening via de EPB-software, voor bestaande woningen via het Brussels EPC-protocol.

Niet-residentiële gebouwen: drie verschillende trajecten

Bij kantoren, commerciële panden of andere niet-residentiële gebouwen wordt de situatie nog complexer. De EU Taxonomie vereist dat beursgenoteerde bedrijven, en grote ondernemingen die aan bepaalde criteria voldoen, hun duurzaamheidsactiviteiten rapporteren aan de hand van de zogenoemde CSRD-rapportage.  Met als gevolg dat investeerders steeds vaker expliciet energielabel A wensen. Maar wat dat concreet betekent, hangt opnieuw af van gewest en methode.

In Vlaanderen geldt sinds kort de EPC NR-methodiek. Uniek hier is dat men niet rekent met theoretische waarden, maar met werkelijk gemeten energiestromen. Bovendien bepaalt niet het totale verbruik het label, maar het aandeel hernieuwbare energie dat door het gebouw geproduceerd én geconsumeerd wordt. Label G staat gelijk aan 0% hernieuwbaar, label A aan 100% lokaal opgewekte hernieuwbare energie. Vanaf 2030 (2028 voor publieke gebouwen) is minstens label E verplicht, wat neerkomt op 5% hernieuwbare energie.

In Brussel bestaan er drie routes:

De gevolgen voor eigenaars en investeerders

De uiteenlopende methodes leiden niet alleen tot verwarring, maar hebben ook praktische gevolgen. Voor eigenaars betekent het dat een verkoop of verhuur afhankelijk is van welk label vereist is. Voor investeerders wordt het inschatten van risico’s complexer: grote bedrijven en fondsen vragen steeds vaker expliciet naar een energielabel, omdat dit een directe invloed heeft op de rapportering in het kader van CSRD. Maar een gebouw in Brussel kan meerdere labels hebben, en vergelijken tussen gebouwen in Brussel en Vlaanderen is onmogelijk.

‘A’anpak van M-gineers

Bij M-gineers volgen we de trends en de recent gepubliceerde wetgevingen van nabij, en bieden we service aan op maat van de klant en het gebouw. Onze energiedeskundigen combineren kennis van de verschillende wetgevingen met praktische ervaring op de werkvloer.

“Onze rol is helderheid brengen in deze complexe materie,” besluit Bart. “We gidsen klanten door het woud aan regelgeving en zorgen voor analyses die technisch, financieel én duurzaam kloppen en verstaanbaar zijn.”

Conclusie

Energielabels lijken op het eerste gezicht eenvoudig. Een letter van A tot G vertelt hoe efficiënt een gebouw is, maar achter die letters schuilt een kluwen van regionale wetgeving, uiteenlopende methodieken en veranderende verplichtingen.

Wat vandaag nog toekomstmuziek lijkt – een A-gebouw dat volledig draait op hernieuwbare energie – wordt stilaan de norm. Voor eigenaars, ontwikkelaars en investeerders is het dus cruciaal om de weg te vinden in dit complexe landschap. Met de expertise van M-gineers aan hun zijde kunnen ze rekenen op een traject dat helder, haalbaar en toekomstgericht is.

In deze blog neemt collega en akoestisch expert Yannick Sluyts je mee in de regelgeving, de uitdagingen én de oplossingen.

Wat is een warmtepomp?

Een warmtepomp onttrekt warmte uit lucht, water of bodem en verplaatst die van buiten het gebouw naar binnen (verwarming), of omgekeerd (koeling). Een airco of koelkast behoort ook tot de categorie warmtepompen. In dit artikel is er sprake van warmtepompsystemen die dienen ter aanvulling of vervanging van verwarmingssystemen die werken op fossiele brandstoffen.

In de context van geluidsemissies van warmtepompen spreekt men meestal over de buitenunit van het systeem, dat essentieel uit een compressor, expansieventiel, condensor en verdamper bestaat. De compressor en condensor zijn verantwoordelijk voor de verdampings- en condensatiecyclus die het mogelijk maakt om de warmte te transporteren van binnen naar buiten of omgekeerd. Deze cyclus gebeurt in een gesloten circuit met het zogeheten koudemiddel. De compressor produceert laagfrequent geluid en is meestal lager gelegen in het toestel.

Bij een lucht-water warmtepomp zijn er ook ventilatoren aanwezig, om de efficiëntie te verhogen. Hoe harder de machine koudemiddel moet pompen, hoe sneller deze ventilatoren moeten draaien om de koel- of verwarmingscyclus in stand te houden. Lucht die snel over ventilatorbladen beweegt veroorzaakt trillingen in de lucht (geluid). Dit noemen we het stromingsgeluid.

De geluidsemissies van een warmtepomp bestaan dus hoofdzakelijk uit het compressorgeluid en stromingsgeluid. Deze hebben elk hun eigen frequentiespectrum en richtingskarakteristieken. Bovendien kunnen deze verschillen afhankelijk van het regime (koelen of verwarmen).

Ook belangrijk: een warmtepomp produceert trillingen die via de gebouwstructuur kunnen worden doorgegeven. Deze trillingen kunnen storend zijn voor bewoners, vooral voor degenen die op de bovenste verdieping van het gebouw wonen. Het geluid dat door deze trillingen wordt afgestraald, is laagfrequent en plant zich dus gemakkelijker voort door het gebouw.

Geluidsdruk versus geluidsvermogen

Net zoals het vermogen van een motor om te draaien kan uitgedrukt worden in watt, kan er ook een geluidvermogen Lw worden gemeten (uitgedrukt in dB). Het vermogen en de geluidsdruk zijn verschillende grootheden. De geluidsdruk Lp is het geluid gemeten op een afstand van de bron met geluidsvermogen Lw. Leveranciers van toestellen specifiëren het vermogen in technische fiches en soms ook de geluidsdruk op een bepaalde afstand. Omdat beide grootheden dezelfde éénheid hebben worden ze wel eens met elkaar verward.

Regelgeving

De regelgeving omtrent de geluidsuitstraling is verschillend naargelang het gewest. Verschillende factoren bepalen wat de limiet is, maar er zijn ook verschillende manieren om een limiet te bepalen. In Vlaanderen is VLAREM II voor warmtepompen met een drijfkracht hoger dan 5 kW van toepassing. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is er het “Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingenhinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen”.

Beide zijn redelijk verschillend maar twee elementen spelen bij beide een belangrijke rol:

Plaats

Bevindt de warmtepomp zich in een woon- of industrieel gebied, of dicht bij de grens tussen beide? Het is vanzelfsprekend dat een installatie luider mag zijn wanneer er geen bewoning in de buurt is. Zowel het Vlaams als het Brussels Gewest hanteren verschillende zone-indelingen, elk met hun eigen geluidslimieten.

Tijd

’s Nachts zijn mensen vaak gevoeliger voor geluid. Door de afgenomen activiteit valt het geluid van bijvoorbeeld een installatie sneller op. Het is van groot belang om de slaapkwaliteit van de bewoners te waarborgen, want het is een essentieel onderdeel van onze gezondheid. Slaapverlies en slechte slaapkwaliteit door geluid leiden jaarlijks tot duizenden vroegtijdige sterfte in Europa**. We kunnen onze oren niet afsluiten (oordopjes bieden niet altijd de oplossing), en geluidsenergie wordt gemakkelijk doorgegeven via gevels. Bij warmtepompen, die vaak op daken worden geplaatst, betekent dit dat ze zich vaak in de buurt van slaapkamers bevinden, met alle gevolgen van dien.

Om de slaapkwaliteit van bewoners te beschermen, gelden verschillende regels voor verschillende periodes van de dag en week. Deze periodes zijn anders gedefinieerd in het Vlaams en Brussels Gewest.

Uitdaging

In een stedelijke context is het vaak een uitdaging om grote warmtepompen conform de wetgeving te plaatsen. Warmtepompen met een thermisch vermogen van 20 kW of meer produceren aanzienlijk meer geluid. De beperkte ruimte op daken maakt het voor ingenieurs handig om compacte units met een hoog thermisch vermogen te selecteren, in plaats van het vermogen te spreiden over verschillende stillere units, wat vaak ook duurder is.

Hoe de geluidsemissie voorspellen?

Hoe voorspellen we of een warmtepomp geluidsoverlast zal veroorzaken? En hoe lossen we klachten op in een bestaande situatie of hoe gaan we om met de beperkingen van een renovatiecontext? Door een combinatie van metingen en simulaties kunnen we het geluidsveld nauwkeurig voorspellen.

Door metingen ter plaatse verkrijgen we inzicht in het omgevingsgeluid en de geluidsemissies van het reeds geïnstalleerde toestel. Met deze data gaan we dan aan de slag om te bepalen welke maatregelen nodig zijn om de situatie te verbeteren (indien we een interventie doen bij een problematisch geval) of om een opstelling te ontwerpen conform de geldende regelgeving.

Simulatietools, eventueel gecombineerd met onze eigen metingen, zijn essentieel om de situatie nauwkeurig in te schatten. We houden daarbij ook rekening met het omgevingslawaai. Het volstaat vaak niet om enkel het bronvermogen van een toestel te gebruiken en met een eenvoudige formule de geluidsdruk op afstand x te berekenen. De geometrische context van het toestel speelt een cruciale rol: hoe hoog is de dakrand? Hoeveel geluidsenergie wordt geabsorbeerd door de materialen rondom het toestel? En zijn er oppervlakken die geluidsreflecties kunnen veroorzaken?

Hoe de geluidsemissie van het toestel beperken?

Het fossielvrij maken van het gebouwenbestand vereist een multidisciplinaire aanpak, en ook op het gebied van akoestiek is de geïntegreerde aanpak van M-gineers zeer nuttig. Onze ingenieurs akoestiek werken nauw samen met de ingenieurs gebouwtechnieken om geluidsproductie op gevoelige plaatsen of tijdens kritieke periodes te beperken. Een warmtepomp produceert meer geluid naarmate er meer thermisch vermogen wordt ingezet. Dit kan deels door de correcte dimensionering van het toestel en/of door het toestel juist in te stellen. Warmtepomptechnologie evolueert voortdurend, en onze collega’s volgen deze ontwikkelingen op de voet om te beslissen welke innovaties we wel of niet in projecten toepassen.

Oplossingen

Naargelang de situatie kunnen de volgende akoestische oplossingen worden voorgesteld:

Als de ingenieur akoestiek oordeelt dat trillingen overlast zullen veroorzaken binnen het gebouw, wordt de trillingsdempende basis van de warmtepomp zodanig gedimensioneerd dat dit wordt voorkomen. Er zijn verschillende oplossingen, waarbij altijd een verende laag wordt toegepast, en in sommige gevallen is extra massa nodig.

Bij M-gineers streven we steeds naar de meest praktische oplossing voor elk project. Met behulp van onze nauwkeurige simulaties en een uitvoerige kennis van de geldende regelgevingen kunnen we de juiste maatregelen voorstellen, volledig op maat van het project.

*bron: Omgeving Vlaanderen
**bron: European Environment Agency

Daarom hebben we de tijd genomen om met een frisse, onbevangen blik naar onze organisatie te kijken. Deze inspirerende oefening heeft geleid tot M-gineers. Onze iconische groene M hebben we behouden. Het is een knipoog naar het verleden en het blijft een waarmerk voor de opgebouwde reputatie en kwaliteit waar we voor staan. Tegelijk is de M een verwijzing naar onze drie waardes: M-pathy, M-power en M-brace. Het is een vertaling van de thema’s waarmee wij ons onderscheiden: ’People’, ’Green’ en ’Digital’.

Een M-gineer is een wereldburger met een hart voor het ingenieursvak. Het is iemand die zijn of haar talenten inzet om in een echt partnership met onze klanten te bouwen aan de duurzame gebouwen van morgen. Onze M-gineers vormen een krachtig multidisciplinair team met een échte hands-on mentaliteit. 

M-gineers is klein genoeg om snel en persoonlijk te schakelen en groot genoeg om volledig te ontzorgen, van conceptfase tot oplevering. Die aanpak stelt ons in staat om ons voortdurend aan te passen aan veranderende omstandigheden en nieuwe maatschappelijke trends, maar ook om dicht bij onze projecten en mensen te blijven staan. Zo blijven we altijd in beweging, maar kiezen we tegelijk resoluut voor standvastige, duurzame lange termijnrelaties met klanten en medewerkers.

Let’s Meet, Let’s Match. Onze nieuwe baseline tenslotte is een uitnodiging naar zowel bestaande als potentiële klanten om ons (beter) te leren kennen. Het draagt onze persoonlijke manier van samenwerken uit en is daarenboven een open invitatie naar toekomstige medewerkers om te kijken of we matchen en of je het in je hebt om een M-gineer te worden. 

Onze M-gineers in actie? Bekijk hier de video.

Hoe pakt Vlaanderen dit aan?

Vlaanderen heeft het EPC NR, het Energieprestatie Certificaat voor Niet-Residentiële gebouwen, in het leven geroepen. Dit EPC geeft de energiezuinigheid weer van een gebouw dat gebruikt wordt als kantoor, school, winkel, ziekenhuis, etc. en ook hoeveel inspanningen nodig zijn om te renoveren tot een koolstofneutrale gebouweenheid.

Het EPC NR is vanaf 1 januari 2023 verplicht op te maken door de gebouweigenaar bij overdracht  van een pand of bij het afsluiten van een nieuw huurcontract. In eerste instantie zal een minimum energielabel gelden om, met een aantal tussenstappen, tegen 2026 voor een gehele labelplicht voor alle gebouwen te gaan. Het uiteindelijke doel is een volledig koolstofneutraal gebouwenpark tegen 2050.

Wat valt momenteel onder het EPC NR?

Het document bestaat uit twee onderdelen:

Het wordt voor gebouweigenaars dus uitermate belangrijk te beschikken over een duidelijk overzicht van alle energiestromen van hun gebouw of zelfs de gehele site. Deze energiestromen moeten ook opgemeten worden en de energieverbruiksgegevens moeten worden bijgehouden. Interessant is dat de al dan niet digitale nutsmeters voor gas en elektriciteit gebruikt worden, maar voor stookolie, houtpellets of andere brandstoffen wordt dit vast een grote uitdaging. 

Enkel een Energiedeskundige type D kan het EPC NR opmaken

De Energiedeskundige type D doet tijdens een plaatsbezoek een aantal vaststellingen, waarbij een inventaris wordt gemaakt van de gebouwschil en de technische installaties, en waarbij vervolgens de meterstanden en de energiemeters worden geregistreerd. Deze informatie wordt door de energiedeskundige in de specifieke software van de Vlaamse Overheid ingevoerd om zo tot een EPC NR te komen. 

Tot 2030 is het voldoende om over een label te beschikken dat een G vermeld (= 0% hernieuwbaar) of waar op staat dat het label onbepaald is omdat er niet voldoende meters of meetgegevens beschikbaar zijn. 

De meerwaarde van M-gineers

Naast het begeleiden i.f.v. de verplichtingen volgens het wettelijk kader, gaan onze energiedeskundigen graag een stap verder en stellen we, in samenspraak met de gebouweigenaar of siteverantwoordelijke, een energetisch masterplan op waarin de toekomstige maatregelen en investeringen richting een koolstofneutraal gebouwenpark duidelijk worden opgenomen. 

Een masterplan waarin ook rekening gehouden wordt met de staat van de gebouwschil en de technische installaties dewelke in kaart worden gebracht middels een conditiemeting volgens NEN 2767. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met de financiële realiteit en kunnen bijvoorbeeld stapsgewijze (stookplaats)renovaties of uitbreidingen van zonnepaneelinstallaties worden bekeken.

We werken graag met jou stapsgewijs naar je koolstofneutraal gebouwenpark.

In Vlaanderen wordt geluidshinder behandeld in de Vlarem II-richtlijn waar bijzondere aandacht wordt besteed aan de geluidsemissies afkomstig van de technische installaties van een inrichting. De gevelisolatie van projecten werd beoordeeld op basis van een NBN-norm als code van goede praktijk.

Vanaf eind 2022 zal in de Vlaamse regelgeving ook rekening worden gehouden met de geluidsbelasting van de zone waar het project zich bevindt. Dit betekent dat als men een project bouwt langs drukke verkeersaders, een akoestische evaluatie van het omgevingsgeluid wettelijk verplicht zal zijn om de gevelisolatie te bepalen. 

Dit kader zal worden toegepast bij de beoordeling van significante milieueffecten en de bepaling van geluidsbeperkende maatregelen in functie van een MER-procedure waarin nieuwe woningen worden geprojecteerd en/of gerealiseerd.

‘Om de woonfunctie te preciseren wordt er uitgegaan van de definitie woning zoals opgenomen in de Vlaamse Codex Wonen, en slaat het dus op appartementen, studio's, studentenresidenties, eengezinswoningen en woonzorgcentra. Andere bestemmingen zoals rust- en verzorgingsinstellingen, ziekenhuizen of scholen vallen buiten het kader.’

De criteria voor de akoestische gevelisolatie in MER zijn gebaseerd op criteria voor weg-, spoor- en luchtverkeerslawaai van het NBN S01-400-1:2008 en de S01-400-1:2022 en op internationaal gehanteerde criteria voor akoestische gevelisolatie. Dit komt overeen met de prestatie-eisen zoals geformuleerd in de Deense en Nederlandse regelgeving op basis van het tijdgewogen jaargemiddelde geluidniveau in de dag, de avond en de nachtperiode.

Voor spoorweglawaai is een aanvullend criterium voor nachtruimten onderzocht in functie van extra bescherming in slaapkamers tegen nachtelijke piekgeluiden. Daartoe werd het criterium voor nachtelijke piekgeluiden uit het ontwerp van regionale isolatieverordening aangepast en bijgesteld tot maximaal 3 overschrijdingen van 42 dB, te bepalen over een ‘gemiddelde’ nacht (23h-07h).

‘Bij de beoordeling van de geluidskwaliteit bij nieuwe woonwijken moet worden uitgegaan van de beoogde situatie. Dit is de situatie na realisatie van het plan of project en houdt dus ook rekening
met de autonome evoluties en ontwikkelingen.’

Met een akoestische modellering kunnen de geluidsniveaus worden bepaald. Uit de resulterende Lden-waarden aan de gevel wordt dan de nodige gevelisolatie berekend.

Ons Team Akoestiek bezit de nodige know how en ervaring om voor elk bouwproject een optimale oplossing uit te werken.

De overschakeling van een norm uit 2008 over een proefversie in 2019 naar een definitieve publicatie in 2022 heeft wat tijd gekost. Wat is er veranderd ten opzichte van de vorige norm?

Veel dingen!

Deze norm bepaalt de eisen voor luchtgeluidisolatie en contactgeluidisolatie, gevelgeluidisolatie, geluid van technische installaties en galmbeheersing van specifieke ruimten. Dat is niet nieuw, wat wel nieuw is:

Waar wordt deze norm gebruikt?

Deze norm is van toepassing op woningen die niet afhankelijk zijn van gemeenschappelijke keukens, noch van gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen zoals dienstwoningen of studio's. Hij is niet van toepassing op woningen die bestemd zijn voor bewoning van korte duur (minder dan een maand) of woningen met gedeelde keuken en/of sanitaire voorzieningen zoals kamers in studentenwoningen of verpleeghuizen.

Wanneer is deze norm van toepassing?

Sinds het uitkomen van de proefversie in 2019 vragen akoestiekers zich af wanneer deze nieuwe norm met zoveel voordelen kan worden toegepast. Welnu, geen vragen meer, hij geldt als goede praktijk voor gebouwen die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor bewoning en waarvoor een aanvraag voor een bouwvergunning is ingediend na 1 januari 2023.

Haalbaarheidsstudies voor renovatie en reconversie

Om tegemoet te komen aan de huidige eisen van gebruikers, de energie- en klimaatdoelstellingen van de toekomst, en ook als antwoord op het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (a.k.a. Betonstop), zijn renovatie en reconversie essentieel.

M-gineers zoekt samen met de huidige of potentieel nieuwe eigenaars aan de hand van een haalbaarheidsstudie naar de meest optimale benadering. Daarbij zijn er globaal genomen drie grote lijnen te onderscheiden.

  1. Wanneer de structuur geen mankementen vertoont en de indeling beantwoordt aan het huidige programma is het vaak alleen de technische installatie die een update verdient en bekijkt de stabiliteitsingenieur de mogelijke inplanting van nieuwe kanalentracés of een andere invulling van de technische lokalen.
  2. Als de beleving van het gebouw niet afgestemd is op de hedendaagse noden bekijken we de mogelijkheden voor een meer open indeling, die de lezing van het gebouw voor de gebruiker vergemakkelijkt en die meer natuurlijk licht toelaat. In dit scenario zijn er geen grote wijzigingen van de in te rekenen gebruikslasten. 
  3. Bij doorgedreven reconversies waarbij het huidige programma vervalt, bekijken we de eisen van de nieuwe invulling binnen het bestaand gebouw. In het beoogde pand vond in het verleden bijvoorbeeld een productieproces plaats dat wegens technologische vooruitgang vervalt, of de vraag naar kantoorruimte daalt omdat een mix van kantoor- en telewerk en de invoering van flexplekken een efficiënter gebruik van de fysieke werkruimte toelaat, wat op zijn beurt ook de kans biedt om een kantoor te transformeren naar een geheel residentieel of een mixed use complex. Dit soort omslag in gebruik heeft ingrijpende gevolgen met betrekking tot de nodige gebouwtechnieken, de beoogde afwerking en de gewenste vrije ruimte en dit alles heeft op zijn beurt invloed op de bestaande structuur.

Na een eerste screening van de structuur en een analyse van de gewenste invulling, wordt de keuze voor één van de drie benaderingen in afstemming met de bouwheer gemaakt.

Kristallisatie i.f.v. verdere ontwerpbeslissingen

De stabiliteitsingenieur bekijkt de beschikbare plannen en toetst deze in grote lijnen af aan de vaststellingen bij een eerste bezoek ter plaatse. Er wordt ook nagegaan of er door de jaren heen een degradatie van de structuur plaatsvond (roestvorming, betonrot, scheurvorming, ...). Op basis van deze informatie en een eerste analyse krijgen we inzicht in het structurele concept van het gebouw en maken we een inschatting van de draagkracht volgens de huidige normering. Hierbij houden we rekening met eventuele randvoorwaarden gesteld binnen reeds gekende saneringswerken (denk maar aan de eventuele aanwezigheid van asbest).

In overleg met de bouwheer wordt er vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke invulling en/of uitbreidingen, rekening houdend met de technische haalbaarheid van bepaalde overlasten en beschikbare vrije hoogtes. De uitgangspunten voor de latere constructieve uitwerking worden vastgelegd en geprefereerde posities van zones geschikt voor verticaal transport van personen en technieken, worden bepaald.

Door deze informatie in een vroeg stadium te genereren, komen we tot een kristallisatie waarin de bouwheer goed geïnformeerd en op gefundeerde wijze een beslissing kan nemen. Zo scheppen we een kader voor verdere ontwerpbeslissingen.

Architecturale kwaliteit en intrinsieke waarde

Parallel wordt een programma opgemaakt voor eventueel bijkomende proeven en peilingen in de bestaande structuur, zoals onder andere:

Deze extra gegevens laten toe om meer in detail te kijken naar de mogelijkheden van de bestaande structuur.

Door opgedane ervaring met oude constructiemethoden en onze in-house kennis van verschillende moderne bouwtechnieken, denkt M-gineers creatief mee over oplossingen afgestemd op architecturale kwaliteit en huidige technische noden.

Projectspecifiek gaan we behalve met de evaluatie van betonkwaliteit en koudebrugwerking ook met onderstaande topics aan de slag:

Onze doorgedreven analyse zorgt voor een ontwerpproces met structureel logische ingrepen die de architectuur versterken en de intrinsieke waarde van het pand bijkomend bekrachtigen, zodat we het bestaande gebouwenpatrimonium klaarstomen voor een nieuwe generatie gebruikers, rekening houdend met de transitie naar een circulaire economie.

Ontwerpen met CLT-structuren of hybride vormen brengen echter een aantal complexiteiten met zich mee en als antwoord daarop heeft het ontwerpteam een bepaalde expertise en ervaring nodig: specifieke ingenieurskennis op het vlak van stabiliteit en duurzame oplossingen om oververhitting te vermijden door gebrek aan massa. Ook de akoestische uitdagingen zijn reeds geruime tijd gekend. De lage frequentie performantie leidt namelijk tot een gebrek aan comfort en vraagt specifieke oplossingen, bij voorkeur in een vroeg stadium1.

Het verschil tussen woningbouw en niet-residentiële projecten

In de ontwerpvoorstellen van het WTCB over de nieuwe akoestische norm voor woningen zijn reeds elementeisen opgenomen, net omwille van lichtgewicht oplossingen zoals CLT. De standaardaanpak van de akoestische expert in functie van hedendaags akoestisch comfort voor woningen in CLT bestaan uit het toevoegen van massa en demping (zand- en grindlagen), het introduceren van dilatatievoegen, het toepassen van voorzetwanden, verlaagde geluidsisolerende plafonds en een specifieke vloeropbouw.

Als er ook vanuit esthetisch standpunt wordt gekozen voor CLT-vloeren is de dimensionering van de CLT-structuren een extra aandachtspunt, in dat geval ook nodig vanuit brandtechnisch standpunt. Vele gangbare oplossingsstrategieën kunnen trouwens, mits de nodige economische en stabiliteit-technische inspanningen, in hoogbouw toegepast worden.

Voor niet-residentiële gebouwen zijn deze detailleringen echter vaak overdaad omdat de eisen voor akoestische comfort meestal lager liggen. De rekenmethodes voor CLT zijn nog een stukje onbetrouwbaarder dan voor de klassieke massiefbouw, en meetdata en proefopstellingen in laboratoria richten zich vaak op de meest peformante opbouw (met name deze voor woningbouw). Daardoor zijn praktische kostefficiënte oplossingen, die bovendien ook nog eens rekening houden met de andere bouwfysische randvoorwaarden zoals oververhitting en duurzaam energiegebruik, voor onder andere scholen en kantoren nog vaak trial and error.

Het M-gineers samendenken

De specifieke opdrachten die klanten ons toevertrouwen, laten ons toe los te komen van de standaardoplossingen wat betreft akoestiek. En dat is niet alleen de verdienste van onze akoestische ingenieurs zelf, maar ook omdat we een aantal CLT-experten in huis hebben waarmee onze acousticiens kunnen sparren om tot praktische kost-efficiëntere oplossingen te komen.

Stabiliteitsingenieur Jeroen Eeckman is daar een toonvoorbeeld van. Hij slaagt er telkens in praktische oplossingen aan te reiken; vaak vanop een velletje papier die hij vanuit zijn Samsonite aktentas naar boven tovert. Op deze manier worden onze akoestische antwoorden, wat betreft de kost en de technische haalbaarheid, verteerbaarder voor klant en architect.

Door het multidisciplinair karakter van studiebureau M-gineers staat de akoestisch expert in direct contact met collega ingenieurs en dit laat ons toe voorstellen, naast de stabiliteitsaspecten, te kaderen wat betreft meerwaarde voor duurzaamheid en hygrothermisch comfort.

Flexibiliteit en uitstraling

Voor niet-residentiële projecten vragen onze opdrachtgevers vaak naar flexibiliteit van inrichting en het behoud van de natuurlijke en warme uitstraling van hout. We merken dat we dus vaak dilatatie voegen achterwege laten en gaan voor dimensionering van de CLT structuren. M-gineers stelt dan, in overleg met de eindgebruikers, een aangepast programma van eisen op voor akoestiek. Hierbij gaat ook extra aandacht naar de dilatatievoegen en de dimensionering, voor zoverre dit mogelijk is en we niet geboden zijn aan een extern lastenboek, normvereisten of vereisten vanuit duurzaamheidsrichtlijnen zoals BREEAM, GRO, VIPA, … .

Samen met de stabiliteitsingenieur trachten we een basisstructuur uit te denken die een basisflexibiliteit en performantie geeft wat betreft lucht- en contactgeluidisolatie. Voor de functies met hogere eisen vullen we deze basisoplossingen aan met voorzetwanden en/of betere vloeropbouwen zodat het CLT plafondaanzicht met demonteerbare technieken maximaal blijft behouden. Concreet voor luchtgeluidisolatie ontwerpen we onze basisstructuur en oplossingen voor vloeren en wanden naar een geluidverzwakking van Rw => 55-60 dB en laag frequent RA50 => 45 dB. Voor contactgeluidisolatie streven we naar Lnt,w <= 60 dB en laag frequent LI,50<= 65 dB.

Het bewaken van de geluidsoverdracht via de flankerende geluidswegen vraagt constante waakzaamheid, vanaf de prille ontwerpfases tot de uitvoeringsvariante van de aannemer.

Puzzelstukjes

Het werkt echt motiverend om de platgetreden paden te moeten/mogen verlaten en samen met de architect, stabiliteitsingenieur, duurzaamheids- en technische experts onze oplossingen in elkaar te puzzelen: thermisch comfort, mobiele lasten, vloeroverspanningen, brandweerstand en akoestiek. Het is samendenken tot alle puzzelstukjes mooi samenvallen.

18 reasons why you should engage an acoustic designer verly early on in mass timber projects

© 2024 M-gineers. Alle rechten voorbehouden.